Tante in koopjes. Toen.

Er hing spanning in de lucht.
De atmosfeer knetterde van opwinding.
De UITVERKOOP begon.
Alle inwoners van de stad kwamen naar buiten en verzamelden zich voor grote warenhuizen, hun harten kloppend van verwachting; lege tassen bungelden aan de handen. Zo ook onze tante. Zij stond vooraan, kooplustig en met de scheenbeschermers stevig aangegespt. Een boksbeugel in haar jaszak, voor noodgevallen.
Na een fluittsignaal stormden de horden naar voren.
Gottegot, dacht tante, als er maar wat voor mij overblijft en met een daverende strijdkreet wrong ze zich naar  diverse afdelingen, dwingend en dringend.  Bang dat ze wat zou mislopen greep en graaide ze allerlei wonderlijke zaken totdat ze met armenvol spullen bij de kassa belandde. Wazig rekende ze af en holde naar het volgende front, de tas was nog lang niet vol.
Ze passeerde de ME bij de Hema en moest slag leveren. Ze won en triomfeerde bij de bakken met buitenaardse kleding. Er waren broeken met anderhalve pijp en truien met armsgaten aan de onderkant, ze ontdekte een eigenaardig geval dat van oorsprong een dekbedhoes voorstelde maar door de verbeten gevechten tot twee hoofddoeken geslonken was. Eén daarvan bracht het tot haarlint.
Tenslotte had ze haar tassen vol en uitgeput ging ze van het uitgespaarde geld een taartje eten.
Naderhand bleken haar aankopen een zootje te zijn wat een beetje zielig was want ze had al die moeite bekocht met drie dagen bedrust en twee stripjes hooggedoseerde valium.
Gelukkig knapte ze snel weer op; ze plaatste een advertentie bij de supermarkt:
“Aanstaande Zaterdag Carboot-Sale in de Hoofdstraat, Van Alles Wat….”

Advertenties

Lachwekkende smoezen

‘Niet zo dom lachen jullie.’
‘Lach niet zo stom.’
Menig geërgerde leraar maakte die opmerkingen, ook tegen mij. Resultaat was meestal nog meer gelach maar dan ingehouden. We begrepen het echt wel maar waarom meteen als ‘dom’ aangemerkt?
Hier dacht ik wel eens over over na. Een antwoord hadden we nooit, hoe kon je nu weten of je dom of juist pienter lachte?
Thuis oefende ik voor de spiegel, ik zag geen verschil, het stond alleen maar raar zo je mond te vertrekken. Dat vonden broer en zus ook, ze gingen achter me staan en deden me na. Toen lachte ik zuur en dat is heel wat anders.
Hadden we in de les meer mogen lachen dan was ik nooit aan het spijbelen gegaan.
Niet eindeloos rondjes hoeven fietsen en kou hoeven lijden tot het tijd werd naar huis te gaan.
Geen smoesjes hoeven verzinnen tegen de dirk.
Kortom, lachen was gezond maar dat snapten ze niet op die rotschool.
Zo praatte ik mezelf schoon en dat diploma haalde ik ook.
Grijnzend liet ik het de leraren en leraressen zien.
Sportief lachten ze mee op één na maar die lachte toch al nooit.