Ex-pedo’s.

Vanavond keek ik naar Louis Theroux op NPO3,  20.30 u.
Hij bezocht een locatie in California, waar zedendelinquenten verblijven nadat ze hun straf hebben uitgezeten. Het ging om zwaardere misdrijven.

Voor veel mensen is die straf geen probleem, toch vond ik het triestig.
Uiteraard vind ik dat er gestraft en behandeld moet worden, en nee, ook ik zou geen ex- pedofiel in een straat willen hebben waar kinderen wonen. Dat geeft meteen de uitzichtloosheid aan waarin deze mensen zich bevinden.
Na veel behandelingen was er 1 die weg mocht en voor wie een woning werd gezocht. Na een jaar was het nog steeds niet gelukt, huiseigenaren werden bedreigd als ze een woning aan hem zouden verhuren.
70 % van de andere bewoners weigeren therapie. Ze zien er geen heil in of beschouwen  zichzelf niet als afwijkend. Zij verblijven daar waarschijnlijk de rest van hun leven.
Wat moet een maatschappij met hen? Lang niet allemaal komen ze genezen uit gevangenschap. Een bejaardenhuis is misschien een oplossing? Dat zal niemand willen. Een speciaal kamp voor ze inrichten? Stel je de overvallen voor van  wraaknemers, echte en opgefokte sensatiezoekers.
Het is onoplosbaar, lijkt me. Bij zedendelicten denk je als leek eerder aan een smerige eigenschap dan aan een ziekte en je gelooft niet dat zo iemand beter wordt, hoe hard therapeuten er ook aan werken.
Dus,  opgesloten voor altijd, eigen schuld dikke bult?
Tja. Misschien wel. We willen onze kinderen beschermen,  logisch.
Maar het is een rot idee dat er geen andere oplossing voor handen is.

Hond Anke

Heb ik wel eens verteld van Anke, de bazige basset?
Op een dag bracht man haar mee.
Nog geen jaar oud was ze al een behoorlijk bakbeest. Het zijn redelijk zware dieren op lage poten. En eigenzinnig.
Dat heb ik geweten.
Die eerste avond moest manlief weg zodat ik, toen de kinderen op bed lagen, alleen was  met haar. Ik wist niet goed wat te doen en klopte op de bank. Ze sprong er op, ze nestelde zich lekker tegen me aan. Daar viel ze in slaap.
Lekker of niet, na een poosje werd het me te warm. Zachtjes duwde ik haar opzij.
RRRRR, klonk het vanonder een hanglip.
Oei.
Wat later deed ik een nieuwe poging. Weer was het  RRRRRRRR, er ging ook een geërgerd oog open.
Bangelijk gaf ik gauwgauw een aaitje. Daarop klopte haar staart de zitting wat me weer vertederde.
Na nog een paar minuten moest ik naar de wc en wilde opstaan, langzaam en ‘zoetmaarzoetmaar’ prevelend rees ik. Onmiddellijk  RRRRRR-de ze nog harder en keek me aan, nu met beide ogen. Ik zakte weer.
De situatie werd nijpend. Ik wiebelde, Anke deinde mee, ik durfde geen vinger te bewegen tot eindelijk, eindelijk echtgenoot thuiskwam en ik op kon staan.
Anke liet zich koninklijk begroeten, de uitsloofster, man lachte zich krom.
De dagen erna raakten we aan  elkaar gewend. Ze was een van de liefste honden die we ooit hadden.

Vriendin, laatste deel

De juiste woorden vinden is lastig.
‘Het is altijd wat als ze zo dronken is’ zeg ik aarzelend, ‘ze schold dat ik een rotwijf ben en,’ hem peilend aankijkend, ‘dat jij goed bent in bed
Met een ruk komt zijn hoofd omhoog. ‘ Wat?? Zegt ze dat? Dat geloof je toch zeker niet? Toe, zeg dat je haar niet gelooft….’
Mijn stem trilt. ‘Jack, zij en ik, wij… sorry, we kennen elkaar tot op het bot, we kunnen elkaar bijna lezen. Ze loog niet, Jack.’
Hij zoekt naar woorden, ik ben hem voor.
‘Waarom zij, Jack, waarom die hulpeloze dronken vriendin,’ dring ik aan, ‘omdat ze zo makkelijk te pakken is? Nog steeds een mooie meid?’
Ongemakkelijk kijkt hij me aan. ‘Je zult toe moeten geven dat ze een del is al wil jij het niet inzien, ze daagt mannen gewoon uit.’
Verbijsterd staar ik hem aan. ‘Gewoon? Op iemand neerkijken en dan als prooi nemen? En haar ook nog de schuld geven? Is dat wat je bedoelt?’
‘Doe niet zo onnozel Joos, zo werkt het toch met zulke lui. Ze hebben geen moraal en drinken zich dood. Zo simpel is het.’
Het wordt me rood voor de ogen.
‘Voor mij niet Jac, ik denk daar anders over. Je kunt gaan.’
Nu is het zijn beurt van onbegrip, met grote ogen staart hij terug. ‘Dat meen je niet.’
‘Jawel. Je moet weg.’
‘Laat je onze relatie kapotmaken door dat dronken lor? Is ze voor jou meer waard dan ik? Ze heeft drank nodig, niet een naieve vriendin…’
‘En jou nog minder. Ik mag dan een kutwijf zijn, jij bent een lul. Meer heb je niet te bieden.’
Andermaal probeert hij het. ‘Joosje, zie het eens voor je. Ze zit daar aan de bar te azen op een gratis drankje en bed, dringt zich bijna letterlijk op, hoe denk je dat dat is voor een man? En wat stelt een enkel nummertje nou voor….’
‘Vanavond nog,’ snoer ik hem de mond. ‘Dit is mijn appartement en ik wil je hier niet meer hebben.’
Ik steek mijn hand uit. ‘De sleutels. Meteen.’

Na een paar dagen loop ik een paar kroegen af, ik wil haar vragen bij mij te komen wonen. Misschien kan ik haar pushen, je weet nooit.
Een tip brengt me bij het ziekenhuis waar een verpleegkundige meeloopt naar de IC. Ze haalt de schouders op.
‘Ach mevrouw, ze drinken zich gewoon dood.’

© Bertie

Verhaal eerste deel, morgen de rest.

Vriendin –  vriend

‘Je was altijd al een trut.’
Onzeker loerend richt ze een valse en halfdronken blik op mijn gezicht.
‘Ik heb je teruggepakt, Joosje.’ Grijnzend. ‘Wil je weten hoe?’
De grijns verbreedt zich. Schouderophalend veins ik onverschilligheid.
‘Hij is goed in bed, jouw Jack.’ De triomf in haar ogen maakt dat ik haar geloof.
Ik sta op…
‘Wil je’t niet horen?’ Ze lacht nu voluit.
…pak tas en sleutels, gooi geld op de tap en loop weg.
‘Lazer dan maar op, kutwijf’ schreeuwt ze me na. Iemand maakt sussende geluiden, de deur valt dicht.
Buiten blijf ik staan. Verwezen en razend tegelijk.
Langzamerhand zakt de woede om te wijken voor ontreddering.
Wat moeten we nou. Wat moet ìk nou.

‘Hoe was het met je vriendin, mager en teut zeker?’ Jack neemt een grote hap, kauwt en slikt met genoegen. ‘Ze zou ook zo lekker moeten eten, dat scheelde een paar slokken.’
‘Och…’
Te vaak hebben we dit besproken zonder resultaat. Hij wil haar niet in huis langer dan een kort bezoek al pleit ik om haar te helpen. En nu. Wat nu.
‘Opnemen en verplicht afkicken, dat is het beste. Ze wordt een wrak, zonde om een mooie meid zo te zien verloederen.’
Zwijgend neem ik zijn woorden in me op. Mooie meid? Door haar bekentenis krijgen ze een beladen betekenis . Mooi genoeg voor een slippertje? Of is het weer een geniepigheidje van haar kwaadaardige dronk? De uitdrukking op haar gezicht zei anders genoeg, ik kan het niet afdoen als een van haar streken.
Ik wil het weten.
Mijn liefde voor Jack vlamt niet hoog meer maar belazerd worden, daar pas ik voor.

Over sterrenbeelden

Bij een heldere hemel probeer ik ze wel eens te vinden. Het lukt nooit, ook niet op afgelegen en hoge plaatsen. Geen steelpannetje te zien noch een opvallend lichtpunt.
Op eigen observatie kan ik niet afgaan, met wat fantasie zijn er figuren te maken van àlle sterren. Daar heb ik niets aan.
Soms denk ik er een te zien vallen maar dat kan ook een slaapwandelende  vogel zijn die te hoog grijpt.  Dan weer komen er bewegende voorbij, dat zijn vliegtuigen en hebben niets met sterrenbeelden te maken. Ik zwaai altijd even, je weet immers niet of er eenzame passagiers meereizen  die verlegen zitten om een vriendelijk gebaar.
Maar echte sterrenbeelden herken ik niet.
Wat zou het makkelijk zijn als er verbindingslijntjes waren zoals op plaatjes. Een soort ruimteraster.  Ook handig voor kunstvliegers, ze leren schroeven draaien rond de lijnen en  vierkantjes vliegen.
De mogelijkheden zijn eindeloos.  In dat geval gaan ze te ver.

Grote Beer

Geen nieuws

Hoewel ik af en toe teruggrijp op oude dingetjes leef ik wel degelijk in de tegenwoordige tijd.
Momenteel wat sluimerachtig. Door het besluit een poosje geen nieuws te volgen, althans, geen politiek en dat beslaat zowat alle nieuws, bevind ik me in een vacuum.  Rare gewaarwording, vreemd stil.
Pas op 20 januari gooi ik de luiken open. Om Trumps inauguratie te bekijken. En Obama’s afscheid. De voorspellingen te beluisteren en te lezen van deskundologen die werelds’ ondergang beschrijven dan wel Trumps visie bejubelen.
Ik verheug me er al op; voor een leek op het gebied van politieke manipulaties klinken dergelijke voorbeschouwingen enorm spannend, op het sensationele af.
Dus draai ik me tot die tijd nog eens extra in een fleeceje op de bank met de halve bibliotheek en lees me de tijd door.
Intussen komt hier↓ nog een oudje te staan maar sla het gerust over.Je leert er niets van.
===


Vrekkenpaar op zoek naar een kachel

Het werd koud rond de oude en slechttrekkende haard bij de heer en mevrouw Vrek, ze begrepen dat er iets anders moest komen.
Een forse investering.
Mevrouw V. liep alle kachelwinkels af voor, zoals ze zei, een voordelige aanbieding maar het was nergens goedkoop genoeg.
Ze keek rond naar een tweedehandsje. Ze vond er geen.
Ze begaf zich naar een oud-ijzerhandelaar en vroeg naar oude kachels of haarden. Hij had ze niet.
Op de vuilnisbelt porde ze in grote bergen blikkerend afval en stootte op een oude kookpot.
Die lag er niet voor niets: hij was gedeukt en er zaten gaten in waaruit gewassen groeiden.
Ze peinsde even en nam de pot mee naar de smid, of hij het ding wilde schuren en dichtsolderen? Dan zou zij het schuurpapier betalen, misschien een extraatje voor de soldeertin.
Hm, hij zou het proberen. De smid deed zijn best en het werd een prachtige pot, koperkleurig met blinkende leklapjes.
Het vrekkenpaar was er mee in hun sas en zette hem in de schoorsteen.
Ze maakten er een vuurtje onder met hout uit het park want er was die nacht juist een voordelige storm geweest en gooiden er water in uit de sloot.
Het ding voldeed prima, het werd net zo heet als een kookpot hoorde te zijn en het paar warmde er vergenoegd de vrekkige handen aan.
In het hete water dreef hun wasgoed, voorzien van een likje groene zeep.

Spartaans

De afgelopen dagen zag ik veel mensen met handschoenen. Het weer was er ook naar.
Zelf gebruik ik ze nog niet omdat ik alleen korte stukjes loop of fiets.
Hierbij dacht ik aan de opvattingen van mijn moeder die ons wilde harden. Niet te vroeg met dikke kleren, zo lang mogelijk zonder wanten,  blootshoofd op de schaats.
Bewegen hielp het beste tegen kou. Dan ging je maar rennen en met de armen zwaaien.
Wij waren niet blij met haar ‘wreedheid’, verontwaardiging stak elke winter de kop op en we zochten zelf tussen het wintergoed. Mutsen en sjaals hoefden we niet maar wanten zeer zeker. Ze breidde ze zelf van, naar ze zei, de allerbeste 3Suisseswol, (voor jongeren onbekend?) en waren meestal te dun. Wat kon ons dat merk schelen, warme handen wilden we.
Een van de grote zussen breidde ze met dubbelgaren maar dat vond moeder overdreven: zo wenden we niet aan kou.
Een beetje gelijk had ze natuurlijk wel, van spelen, hardlopen en schaatsen bleef je lekker warm  maar die handen, verstijfde vingers die naderhand tintelden tot je er misselijk van werd en bijna jankte van de pijn.
Enfin, we overleefden alle winters en groeiden rustig door, koud of niet.
Pas bij volwassenheid wierpen haar woorden vrucht af, handschoenen droeg ik hoogstens bij langere fietstochten terwijl mijn man het liefst wollen dekens om zijn stuur zou draaien.
Nu heb ik ze haast nooit nodig.
Komt goed uit.
←Dit is het laatste paar wat ik nog heb: