Water en vuur

Vlammetjes en regelmatig-bewegend water hebben iets gemeen. Ze zijn rustgevend.
Zomers merk je het aan zee of zodra je de tuinsproeiers aanzet.  Golfgeruis en druppelgetik maken slaperig, de rest schuift naar de achtergrond.  Het zal de ritmiek zijn.
Met een ontspannen lijf zit je ernaast, het is niet voor niets dat je bijna in slaap valt. Of helemaal.

Nu is het de kersttijd die dit teweeg brengt.
Ik herinner me de nerveuze spanning van vroeger; het gezeul met een (toen nog) echte boom. Drukke kinderen, hond, kat en echtgenoot
Maar ook dan, als het klaar was en het nieuwtje er af raakten we de  stress kwijt. Deze keer door de kaarsen aan te steken.
Starend in en luisterend naar vlammetjes en hun geknetter was de sfeer even volmaakt. Het duurde zolang het kersttijd was en tot de kaarsjes op waren.
Het idee van een vredige kerst is -voor mij –  eerder gebaseerd op deze rust dan op het geboorteverhaal.
Trouwens, het valt op dat de hoofdrolspelers in de stal er ook altijd sereen bij zitten; ze hadden daar vast een vuurtje of zijn het onze kaarsen?

Advertenties

Kerstverhaal no 3. Laatste.

De kerststal

Op de vliering, verborgen in een donkere hoek,  staat de oude kerstgroep. Een jaar of tien  jaar geleden in een doos verpakt en, ocharme, finaal vergeten.
Binnenin klinkt voorzichtig geritsel, een nies en een hartgrondige gaap.
Een stem: ‘We slapen deze keer wel erg lang’ en ‘wil je alsjeblieft andersom gaan liggen, je blaast in mijn nek.’ Een mompelende snuif antwoordt. De rust keert weerom.
Na een kwartier wordt er opnieuw geritseld en geniesd, nu luider. En door elkaar gepraat.
– hoe laat is het eigenlijk? – moeten we niet naar beneden? – waarom halen ze ons niet op? –  steek eens een kaars aan –  Allen zitten rechtop, behalve de dromedaris die suffig voor zich uit staart. Hij is eenzaam als vreemdeling en verlangt naar de karavaan.
‘Ahummm’. De koningen zijn wakker. ‘Aan mijn baard te voelen liggen we hier al enige jaren, ik vrees dat we niet meer nodig zijn.’
‘Echt waar? En nu?’ Jozef kijkt hulpeloos naar zijn vrouw, initiatief nemen is niet zijn fort. Gapend en de baby wiegend knikt Maria hem toe. ‘ Goedemorgen Joz. We moeten iets bedenken, ook voor de dieren.’
Prompt begint de ezel te balken. ‘Nou wordt’ie mooi, zo dom zijn we niet.’  Beledigd slaapt hij verder of doet alsof. De os sluit zich bij hem aan, de schapen volgen, uiteraard. ‘Doe maar rustig an,’ maant de opperherder ‘wij passen wel op.’ De dromedaris snapt er nog steeds niets van en snuift.
De koningen, Jozef en Maria aarzelen.
Maria begint. ‘Eerlijk gezegd vind ik het gemeen om ons voorgoed af te danken. Juist door de kale plekken en butsen zijn we zo echt.’ Melchior valt haar bij. ‘Precies. Wat stelt die ster dan nog voor en de cadeaus, ze staan hier te vergaan…’  Verdrietig zitten ze rondom een slapend Jesusje; de mirre, wierook en goud op een hoop voor de kribbe. ‘Slapen dan maar?’
Maria kijkt hen een voor een aan. ‘We doen het zo…’
Ze luisteren, gaan weer liggen. Hun tranen vergieten ze in stilte.
===========

‘Pap, de vliering lekt’. Papa lacht en leest verder.
‘Pàp, kom dan…’  Toegeeflijk loopt hij mee naar de slaapkamer en inspecteert het zogenaamde lek.  Verrek, het is waar, een vlek in het plafond. Geschrokken gaat hij de vlizotrap op, zoekt  en vindt de doos met kerstbeelden. Doornat.
Verbouwereerd neemt hij de vergeten beeldjes ter hand, strijkt met de vingers over haren en kleertjes, aait ontroerd het kindje en de schaapjes en ach, zo zoet zijn de weerkerende herinneringen.
Voorzichtig brengt hij de doos naar beneden. ‘Kijk,’ legt hij uit,  liefdevol de beeldjes droogwrijvend met een zachte doek,  ‘dit is een herder, dat is een dromedaris die met de koningen kwam, naar de stal van de os. We zetten ze onder de kerstboom met een extra kaars.’

Maria knielt naast de kribbe met baby Jesus, gepoetst en glanzend. Jozef aan de andere kant, herders en schaapjes verspreid tussen os en ezel.
De koningen wachten op de achtergrond met een snuivende dromedaris die zich eindelijk geaccepteerd voelt. ‘Als een zon, dat mooie kaarslicht,’ denkt hij tevreden.
‘Pap kijk, ze lacht!’
Alle beelden horen het en glimlachen verstolen naar hun slimme Maria.

© Bertie

Het mooiste meisje van de klas

Ze was zo mooi dat geen van de jongens haar aanraakte,  ze leek te teer voor grote handen.
Vriendinnen had ze ook niet. De meisjes waren niet jaloers maar voelden zich lomp in haar gezelschap, een soort schroom, alsof ze een veel te mooie pop was voor een veel te arm kind.
Ze werd op afstand bewonderd.  Door haar bijna doorschijnende huid,  elfachtige rankheid en dromerige oogopslag leek ze een etherische wezentje, ze zou een nimf kunnen zijn. Ze scheen te zweven door de lokalen  en de gangen en iedereen verbaasde zich bij  zoiets menselijks als het snuiten van haar neus of gekam van haren.

Ze was nog niet zo lang op deze school; ze kwam uit een ander deel van het land. Niemand wist iets van haar.
Ze sprak erg weinig, gaf slechts antwoorden: ze had hier en daar gewoond; haar vader was leidinggevende bij een grote firma; haar moeder was huisvrouw; geen broers of zussen. Met deze en andere summiere aanwijzingen, die op een vage manier werden uitgesproken, schiep ze ruimte om zich heen. De klasgenoten eerbiedigden het behalve Michael die haar af en toe aansprak. Ook hem wimpelde ze af, al was hij de braafste jongen van de klas.

In het voorjaar waren de eindexamens, de schooltijd werd afgesloten met een tuinparty.
Het mooiste meisje van de klas was aanwezig. Ze hield zich afzijdig van de feestende jongelui en bewoog zich tussen de verlichte bomen en bloemperken, door  haar sierlijkheid eens temeer lijkend op een verdwaalde fee.
Men keek. Niemand zag haar echt.
Op het eind van de avond was ze verdwenen.
‘Ik heb haar gezien’, beweerde Michael,  ‘ze zat op een wolk die opsteeg. Ik zweer het.’
De anderen spotten. ‘Ach man, je hebt teveel gerookt, dat ben jij niet gewend. En hoeveel bier heb je op? Laten we naar huis gaan, vlieg jij maar voorop.  Bestel een zespersoonswolk…’
Michael bleef achter;  hij had haast niets gedronken, gerookt of wat dan ook gebruikt. Koppig liep hij door de tuin en zocht met een laatste stompje kaars naar een of ander bewijs maar vond niets anders dan een hoop troep, peuken, verfrommelde tissu’s,  allerlei dingen die meestal op de grond terechtkomen.
Bij een groepje Hemelsleutels lag zelfs ’n dotje engelenhaar. Hij raapte het op.
Engelenhaar? In de zomer…    Ineens beseffend wat hij in zijn handen had keek hij langs de bomen, de kaars zo hoog mogelijk houdend.  Kleine glanzende strengetjes werden zichtbaar.
Ze was een engel, ze hadden een engel in de klas gehad!
‘Kom terug’, riep hij naar boven, ‘kom weer terug alsjeblieft, je was zo mooi…’

©Bertie.

 

LunaLina


Weemoedig kijkt Lina naar Aarde.
Het schijnsel van de grote bol intrigeert haar. Het zijn verhalen van de ouden, waarvan de impact groter is dan waarschijnlijk de bedoeling was.
Ademloos luistert ze  naar herinneringen die worden opgehaald, over eindeloze dance-events met superDJ’s,  hot games  en smartphones,  scholen die spelenderwijs lesgaven via levendige schermen,  strandfeesten in Maanlicht en wild trips met vergezichten die niet onderdeden voor reality-clips.  Fantastische blingbling.
Zelfs het vervolg,  dat het Aardse geluk een zeepbel bleek en poenige providers en incompetente regeringen de boel in elkaar lieten donderen en de mensen gedesillusioneerd achterlieten, ook dat vindt ze romantisch. Ten onder gaan met een geliefde,  samen,  in flitslichten en dancings en games, moet super zijn.
De avondklok luidt en ze zucht.
Nog één maal kijkt ze naar de hemel, dan draait ze om en gaat naar huis.

Een oud plannetje duikt op. Als ze zich in een van de pendelboten weet te verbergen,  in een voorraadruim waar de juiste pakken en zuurstofvoorzieningen zijn opgeslagen, wat kan haar dan gebeuren?  Ze zullen haar heus niet overboord gooien als ze ontdekt wordt.
Ze verkent de starthaven en dubt. De New Age? Of de Old Mac? Ze denkt even en besluit te gaan.
De Old Mac vertrekt als eerste. Gehuld in een bijna onzichtbaarmakend  fiberpakje weet ze zich naar  binnen te smokkelen en te verstoppen in een ruimtepak.
Bijna stikkend van spanning doorloopt ze de fases van start, reis en landing; daarna luistert ze naar wegstervende geluiden en durft te voorschijn te komen.
Steels zoekt ze de uitgang en lift naar beneden.
Yes! Ze staat op Aardse bodem.

Er is niets greats aan.
Ze begeeft zich verderop  waar ze een stad ziet. Ook daar geen blits, geen lights, geen music. Hier en daar een paar mismoedige figuren die somber voor zich uit staren. Ze zien er chagrijnig uit. Een vrouw klampt haar aan en vraagt wanhopig: ‘Kom je van Maan? Hebben ze daar al verbinding? Please…’
Lina vlucht, ze wil niet geloven dat het zo erg is en zoekt andere straten maar overal vindt ze dezelfde troosteloze mensen die hun ziel en zaligheid verloren in de ether.
Ze begrijpt nu wat de ouden bedoelen met desillusie.
Ze is blij dat ze geen geliefde heeft om mee ten onder te nemen.

Stilletjes kruipt ze terug in haar verstekelingenplek en reist naar huis.
Daar staart ze weer naar Aarde,  met een wetende blik.
Nu staat ze met beide benen op de maan.

© Bertie

Zijn we al kerstvredig?

Of trainen we nog wat? In en rond het winkelcentrum vinden we een uitstekend oefenterrein.

Geduldig het schoppende kleutertje ontwijken, niet huilen als je naast de laatste ijstaart grijpt, kalm rondkijken in een trage kassarij (iemand rekent af in dubbeltjes, 46 euro), vriendelijk reageren op voorkruipers en tenslotte fluitend de omgejaste fiets oprapen. Stuur en spatbord rechtbuigen.
Meestal gedraag  je je automatisch op deze manier. Ingeval van drukte, haast plus een breed scala aan voordeelaanbiedingen, dat vooral,  voelen de dingen anders, gejaagder, alsof de klanten allemaal tegelijk op tijd thuis moeten zijn.
Loopt U dit traject deze dagen volgens bovenstaande regels? Vrede zij met U.

Lang geleden stond ik zelf in die rijen, eerst bij Appie voor een paar vergeten artikeltjes waaraan ik bijna een half uur kwijt was, daarna bij de slager. Hij bood biefstuk aan voor bijna niets, alleen geldig op 23 december. (Je zou hem wat doen, grr)
De klanten stonden tot aan het volgende dorp, chagrijnig loerend naar iedere toevallige passant, bang voor niets te komen.
Daar en toen trok ik mijn conclusies: kerstinkopen doe ik sindsdien lang van te voren.
Dan maar geen pudding voor halve prijs.
Wèl een prettig vooruitzicht op de te koken maaltijd, alle ingrediënten staan klaar in een vredige voorraad
ongetraind↓

 

Kerstvoorbereidingen

Met de kerst doe ik iets meer moeite voor het uiterlijk, gasten moeten tenslotte een hele maaltijd tegen je aankijken.
Daartoe is oefening nodig.

Kleurtje hier, lakje daar, misschien gooi ik er nog een paar nieuwe sokken tegenaan.
Een extra bloem in het haar telt niet meer mee. Ik probeerde het met de tak van een kerstster maar de gelijkenis met een jeugdige oma  was te treffend.
De juiste haarkleur is gauw gevonden want maar een klein beetje nodig, in geval van nood kan ik altijd nog een langharige  puppy  op het hoofd binden.
Nagellak blijft achterwege, ik vind het een vreemd gezicht bij het opdienen en afruimen, bij al het keukenwerk. Misschien kan er een huishoudkleurtje op, biogroen met rodekoolpaars of zo.
Ook denk ik aan een carnavalsbril met voorgedrukte ogen maar dan in het serieuze, met de eigen kleur, wimpers aangezet, lijkt me ideaal.
Lippenstift is nog niet aan de beurt en van een kunstneus is geen sprake, er zijn alleen maar ‘lollige’ feest- en clownsneuzen. Als ik nou eens met wat gesmolten was of kaarsevet zèlf een mooi modelletje vorm en roze verf?  Handje sproeten erop? De juiste lijm gebruik?  Heb ik eindelijk dat begeerde eigenwijze neusje.
Hoewel…
…kan ik niet beter een nieuw hoofd kopen?

De rijke en de vrek

Dit stukje herinner ik me van de Lagere School maar weet de juiste tekst niet precies.
Het klinkt als een parabel of gelijkenis, over hebzucht en ijdelheid.
Kent iemand het originele verhaal en de afloop? De moraal? De personen?
Een rijkaard daagde eens een als vrek bekendstaande koopman uit: wie zette de beste maaltijd op tafel?
De rijkaard was als eerste aan de beurt. Hij praalde graag met zijn rijkdom en verzorgde een luxueus diner. Niets ontbrak, de schalen werden doorlopend gevuld met de fijnste spijzen. Tevreden zag hij hoe de koopman zich tegoed deed.
‘Wel,’ vroeg hij tenslotte, ‘denkt u dat u dit kan evenaren?’
De koopman glimlachte slechts.
Op de dag dat hij zelf gastheer was zag de rijkaard dat er niets klaar stond. ‘Wat eten we?’ vroeg hij verbaasd.
‘We halen het zo vers mogelijk in huis. Kom.’
De koopman nam hem mee naar de markt, naar de vishandel.
‘Is de vis vers?’vroeg hij de visboer.
‘Meneer,’ was het antwoord, ‘net gevangen en zo zacht als boter.’
‘Dan kunnen we net zo goed de boter nemen,’ zei de koopman en liep naar de zuivelkraam. ‘Is het goede boter?’ vroeg hij en opnieuw kreeg hij een gunstig antwoord. ‘Meneer, gemaakt van de fijnste olie’.
‘Ja, laten we dan maar olie nemen.’
Bij de oliekraam.  ‘De zuiverste olie meneer,  helder als water.’
Zo gingen ze naar het huis van de koopman met alleen een kan water.
….?