Het mooiste meisje van de klas

Ze was zo mooi dat geen van de jongens haar aanraakte,  ze leek te teer voor grote handen.
Vriendinnen had ze ook niet. De meisjes waren niet jaloers maar voelden zich lomp in haar gezelschap, een soort schroom, alsof ze een veel te mooie pop was voor een veel te arm kind.
Ze werd op afstand bewonderd.  Door haar bijna doorschijnende huid,  elfachtige rankheid en dromerige oogopslag leek ze een etherische wezentje, ze zou een nimf kunnen zijn. Ze scheen te zweven door de lokalen  en de gangen en iedereen verbaasde zich bij  zoiets menselijks als het snuiten van haar neus of gekam van haren.

Ze was nog niet zo lang op deze school; ze kwam uit een ander deel van het land. Niemand wist iets van haar.
Ze sprak erg weinig, gaf slechts antwoorden: ze had hier en daar gewoond; haar vader was leidinggevende bij een grote firma; haar moeder was huisvrouw; geen broers of zussen. Met deze en andere summiere aanwijzingen, die op een vage manier werden uitgesproken, schiep ze ruimte om zich heen. De klasgenoten eerbiedigden het behalve Michael die haar af en toe aansprak. Ook hem wimpelde ze af, al was hij de braafste jongen van de klas.

In het voorjaar waren de eindexamens, de schooltijd werd afgesloten met een tuinparty.
Het mooiste meisje van de klas was aanwezig. Ze hield zich afzijdig van de feestende jongelui en bewoog zich tussen de verlichte bomen en bloemperken, door  haar sierlijkheid eens temeer lijkend op een verdwaalde fee.
Men keek. Niemand zag haar echt.
Op het eind van de avond was ze verdwenen.
‘Ik heb haar gezien’, beweerde Michael,  ‘ze zat op een wolk die opsteeg. Ik zweer het.’
De anderen spotten. ‘Ach man, je hebt teveel gerookt, dat ben jij niet gewend. En hoeveel bier heb je op? Laten we naar huis gaan, vlieg jij maar voorop.  Bestel een zespersoonswolk…’
Michael bleef achter;  hij had haast niets gedronken, gerookt of wat dan ook gebruikt. Koppig liep hij door de tuin en zocht met een laatste stompje kaars naar een of ander bewijs maar vond niets anders dan een hoop troep, peuken, verfrommelde tissu’s,  allerlei dingen die meestal op de grond terechtkomen.
Bij een groepje Hemelsleutels lag zelfs ’n dotje engelenhaar. Hij raapte het op.
Engelenhaar? In de zomer…    Ineens beseffend wat hij in zijn handen had keek hij langs de bomen, de kaars zo hoog mogelijk houdend.  Kleine glanzende strengetjes werden zichtbaar.
Ze was een engel, ze hadden een engel in de klas gehad!
‘Kom terug’, riep hij naar boven, ‘kom weer terug alsjeblieft, je was zo mooi…’

©Bertie.