Ik ben een traan kwijt

Zo zonde. Het was een heel bijzondere traan, hij bezat huilgronden waar ik veel van hield. Ik mis hem heel erg. Nu kan ik niet meer jammeren zoals ik wil. Wel over allerlei andere dingen en die zijn ook belangrijk, ik wil geen enkele traan tekort doen, maar het is niet meer hetzelfde.
Ik weet ook niet waar ik hem verloren heb.  Alles in de omgeving heb ik afgezocht, zelfs de diepste krochten van mijn ziel  heb ik bloot gelegd,  mentale oefeningen gedaan, geestelijke bijstand geprobeerd, maar helaas, hij blijft kwijt, ik weet alleen  dat er maar ééntje van was.
Een van de hulpverleners wees mij erop dat ik blij zou moeten zijn, —een goed teken, het is een afgesloten hoofdstuk in je leven, je bent niet meer verplicht om te huilen, je hebt het een plekje gegeven-–  zo orakelde deze eigentijdse  magier in mijn oor,  zijn hele gelikte toverdoos  opentrekkend tot ik zijn klep  dichtgooide.  Hij had er niets van begrepen. Ik WILDE het oude zeer niet kwijt, het was me te kostbaar, het was zo’n lief verdriet uit m’n jeugd; hij hoefde alleen maar  te helpen het ding terug te vinden.
Het is een gemis want ik  mag graag een potje melancholisch grienen op z’n tijd. En nu heb ik een smoesje minder,  straks weet ik niet eens meer dàt er ’n reden was. Er zit een gaatje in mijn geheugen dat door de andere tranen dichtgeduwd wordt.
— Langzamerhand besef ik dat ik inderdaad blij moet zijn, nu is er meer ruimte op de geheugenschijf voor de lach-zaken.
Ik vraag me een paar dingen af.
Wat gaat er gebeuren als alle tranen verdwijnen zodat je op zeker ogenblik niets meer te huilen hebt? Zou je dan een prettige oude dag krijgen?
Of, nog even doordenkend, zou het geen zegen zijn als het geheugen, in geval van dementie, positief-selectief te werk ging: de tranen kwijt, de lachjes behouden?
Als iemand dan toch kinds moet worden, dan alsjeblieft een gelukkig kind?

Advertenties

Verbroken…


Vanavond viel de verbinding met Internet uit.

Ach, nou ja, dat wordt lezen. Dacht ik. En ik las.
Zojuist toch even even geprobeerd op tablet, en ja, verbinding hersteld.
Dat had me in de beginjaren van computergebruik moeten gebeuren, in alle staten was ik. Indien er geen kind voorhanden was belde ik er een: ‘heb je even tijd? Alsjeblieft en please? Ik weet niet wat ik gedaan heb maar de boel is kapot en wat moet ik nu doen enzovoorts.’
Daar had ik geen rust van, dacht alleen maar aan wat ik had willen mailen of wat dan ook,  kwam niet op het idee om iets anders te doen. Nerveus werden alle knoppen geprobeerd, een wonder dat ik niets stuk maakte.
Intussen heb ik niet alleen ’n beetje bijgeleerd, ik ben ook wat minder freaky. Geen web? Pech gehad; televisie, boeken, beetje breiwerk, puzzels, er is altijd een vervangmiddel en vaak is het nog leuk ook. Of ik bel een zus.
Niet meer in paniek raken wanneer ik het web niet op kan, er is ook nog een andere wereld.
Een verworvenheid al zeg ik het zelf.
Nu het weggevallen geluid nog.
Of zal ik zelf zingen? 🎶

Winter?


Straks nachtvorst. Ongeveer -5°, aan de grond kan het van -7 tot -10 zijn.

Zou het er dan echt van komen? Niet  een doodlopend voorproefje?
Bekenden weten het: al enige jaren droom ik ervan, van die ingesneeuwde woningen en poolkoude ijsvlakte en krakende  slootjes.
Ik zie de ijsberen al over Peel en Maas zwerven, turend in een wak  met sluimerende prikjes,  voorntjes of misschien een forel. Vandaar naar de achtertuinen waar  honden bibberend hun behoefte doen en hopen dat ijsberen alleen vis lusten.
Van voordeuren naar trottoirs worden tunnels gegraven met sneeuwschuivers,  niemand die erdoor durft wegens instortingsgevaar zodat de helft van ons bijna verhongert en alvast de grootste pan opmeet met één oog naar de kat.
Stel dat je het zachte getrippel hoort van dunne pootjes wanneer plotseling een muizenvolkje met lege buikjes de keuken binnenkomt en om een broodje bedelt. Ach…
En nèt wanneer eenzamen dreigen te bevriezen en een paar zwervers al opgestapeld liggen voor het lijkenhuisje breekt de dooi aan. Snel en grondig warmt hij de verstijfden, blaast de sneeuwlaag op en iedereen komt weer bij bloed, voldoende om smeltwater en ijsberen tegemoet te treden.
Het lijkt me een spannend evenement.
Alleen die muisjes, daar is het zielig voor. Opgevreten door de kat.

ps Ik reken er niet op. Op die winter.

Schortstory

Mijn moeder had een gebloemd exemplaar, U kent ze misschien nog.  Grote lappen met kruisbanden over de rug. Het bovenstuk fungeerde als (veiligheids-)speldenkussen en de rest als poetsdoek voor alle voorkomende nattigheden. Kleingerei zat in een zak: afgebrande lucifers, stukjes garen, knopen, spijkers, restje sunlight, wcpapiertjes, centen. Er werd veel gebruik gemaakt van het schort.  Mocht ze haar handen vol hebben dan pakten we zelf een punt om gezicht of schoenen  af te vegen.

Het was heel wat anders dan het wijduitstaande schortje dat we op de MULO moesten maken, in het kader van ‘we geven de meisjes iets extra’s mee.
Tja, goed bedoeld. Beetje ouderwets maar ach, we hielden er een kittig kledingstukje aan over. Op eigen houtje knipte ik de hoeken rond en en zette er een kantje aan. Moeder fronste. De lerares ook. De directeur keek me lang aan. Een paar meisjes werden verlegen. Te laat dacht ik aan Franse dienstmeisjes met hoge hakjes en plumeau, gekleed in een kort schortje-met-kant, van wie wij dachten dat ze pornosterren waren.
Enfin, we waren niet wijzer.
Later leerde ik het jasschort kennen. Een gruwelijk en ouderwets kledingstuk maar uiterst doelmatig. De betreffende huisvrouw had nòg meer spullen bij zich,  de helft van haar keuken tot de knijperbak aan toe. Ze zou zomaar de baby in de zakken kunnen bewaren.
Het schort is intussen uitgegroeid tot sloof voor beroepsmensen en tot hip keukendingetje.
Ik gebruik het bij bakken en braden.
En vind er alles in terug wat ik kwijt was, van karrenmunt tot half brood.

Dag gasten en hallo dooie boom

_
De gasten zijn vertrokken, beddegoed geruimd.
Het huis is weer van mezelf en de vaatwassers pruttelt.
Een kind te logeren hebben, al of niet met partner,  is heerlijk, daar kan geen weblog tegenop. De napret is groot en groots. De resterende lekkere hapjesvoorraad ook; die kan ik mooi inhalen bij de Brekende Dijken op Uitzending Gemist.

Eerst even over begroeisels van de oude kersenboomstam.
Er zit een mos?zwam? – onbekend voor ons- op het afgezaagde plat. Daarbovenop nog een ander ding hetgeen we aanzagen voor iets viezelijks maar dat eveneens een plant blijkt te zijn, net als het beige rolletje dat er achter ligt.
Heel apart, het geheel lijkt op een pannenkoek  met oude spinazie en een vluchtende muis.
Dat de boom dood ging was jammer maar we krijgen er een mooi ding voor terug nu de zijkanten bemost raken.
Dat hij ook nog een slipper geeft is helemaal het einde. Moet een antwoord zijn op het sintversje.

mos5

Sinterklaas


Hoewel ik niet geloof aan sint
stuur ik toch een nieuw gedicht

Je weet maar nooit,’ denk ik gezwind,
‘hij is misschien een zwaargewicht
en komt te voorschijn voor wat loof
wortels en een bonenstoof
gevoegd bij water en een rijm
met spreekwoordelijk geslijm.’

Ik doe er ook een plaatje bij
waarop hij rijdt in vol ornaat.
’s Nachts en vlot en laddervrij,
zijn duistere paden overgaat.

Want zeg nou zelf, een ouwe man
op een paard en overdone
is makkelijk te neppen.
En als hij me niets geven wil
dan za’k hem wel eens appen.

Koud, bang en koffie


Lekker weer vandaag.

Toch werd het vamiddag kil in huis. Vreemd, cv brandde, ramen waren gesloten.
Zou de val van een paar weken terug me opbreken?  Daar had mijn temperatuur toch niets  mee geleden?
Nog maar eens de ronde doen en een kop hete koffie zetten. Alles was dicht, thermostaat op 22°.
Ik bleef koud. Mijn brein begon te werken, zou ik iets mankeren? Een of andere enge griep? Op het platteland kun je van alles tegenkomen met die beesten overal. Huisartsenpost bellen? En wat moest ik dan zeggen? ‘Stuur alstublieft een spoedambulance want Ik heb het zo koud’?
Dat durfde ik niet.
Toch liet het me niet met rust. Rillerig haalde ik een deken en kroop op de bank om de mogelijkheden te overdenken.
Het moest welhaast kouwe koorts zijn en godweetwat er ging gebeuren als er niet snel een oplossing kwam. Was er onlangs niet iemand overleden aan onderkoeling? Hoorde ik daar een plofje? Sloeg het al op de hersens? Laat het de brievenbus zijn, bad ik wanhopig en strompelde naar de voordeur.
En die…  stond half open, waaide wat en sloeg zachtjes dicht. Terwijl ik keek kierde het weer, opende verder en weer terug. Een windvlaag.  De stiekemerd, telkens achter mijn rug openwaaien.
Opgelucht, inwendig beschaamd, draaide ik hem in het slot.
Ik nam nog maar eens koffie. En vroeg me af hoelang die deur van het slot was geweest. De hele ochtend? Had iemand het gemerkt? Zat er niet een of andere killer onder bed? En dan? Buks mee naar boven of de broodzaag?
Het zweet brak me nogmaals uit.
Pfffff…..
Zo lastig om een bangebroek te wezen.

Later word ik…


Toneelspeelster, dat wilde ik worden.
Uiteraard hield ik het geheim voor er weer gebemoeid werd. En geplaagd.
Uren bracht ik door voor de spiegel want ik zag mezelf als  karakterspeelster en probeerde alle eigenschappen uit die ik me kon indenken, van baby-blijheid tot bejaardenverdriet. Zelfs de hond en kat werden gepeild om me hun gevoelens eigen te maken. Leek me niet moeilijk, de hond keek altijd lief en de kat was doorlopend lui of hongerig.
Alleen de konijnen en kippen toonden niets interessants.
Zo oefende ik alle vrije ogenblikken, stond links- dan wel rechtsom geposteerd, loerde vanuit ooghoeken met vuile blikken (moordenaarsziel!), imiteerde een deftige mevrouw uit het dorp,  had zogenaamd groot verdriet.
Lastig was dat het stiekem moest, er was maar één grote spiegel in huis en die hing in de keuken. Uiteraard werd ik af en toe betrapt. Dan verzon ik gauw: ik doe tante T. na, of ome J. en zette schele ogen op.
Er werd gelachen. ‘Wat heeft zij nou weer?’ want het jongste meisje werd  nooit serieus genomen. Bovendien had ik altijd wàt (dat zeiden zìj).
Natuurlijk ging het over, dat doen grillen meestal.
Pas later kon ik mijn acteurskunsten demonstreren. Met veel plezier.
Je moet wel bij het krijgen van schattige tekeningetjes en aangeklede wcrolletjes.

Juliska? Nou nee…


Die Juliska, die Juliska aus Buda-Budapest, die hat ein Herz voll Paprika usw’
Ze is er. En draait maar rond in mijn hoofd. Hoe komt ze daar en waarom? Door dat ene riedeltje op de radio? Denkt ze daarmee recht te hebben op een plekje? Wat een verbeelding zeg, ik zou haar zo inruilen voor, eh, nou ja, voor ieder ander.
Ik houd helemaal niet van Juliska, vind het een vervelend mens met dat hart vol paprika’s, wat heb ik daar aan? Zijn waarschijnlijk niet eens van A-kwaliteit. Als het nou patat was maar daar hadden ze in dat Boedapest natuurlijk nooit van gehoord. Dat zegt iets over operettes, harten die overlopen van goulash maar een deugdelijk frietaardappel komt niet ter sprake. Noemen ze dat hartstocht?  Smakeloze zwijmelarij voor een dooie groente.
Ik wil haar kwijt en zoek afleiding, op de tv is misschien wat aardigs en er liggen nog boeken en een puzzel.
In ieder geval zet ik straks de vetpan aan voor een patatje.
Laat Juliska die paprikas zelf maar opeten.

=
Voor wie er wèl van houdt is hier een stukje met Marika Rökk  Juliska
=