Nazomerzon


Pauze, ligstoel uitgeklapt.
Toen kwamen de mieren. Vreemd, deze tijd nog en zo gróót. Ze liepen voorbij en verdwenen weer. De laatste knipoogde.
Na een paar minuten verscheen een kauw op de stoep. Hij had een jonkie in zijn bek; links en rechts spartelde het.
-Wat nou weer, ga weg beest, ik hoef jouw jong niet.
Hij vloog op en verdween.
Een zuchtje wind kwam langs en ademde bloemetjesmuziek,  Strauss en zo. Te zoet, toch aardig.
Toen begreep ik dat ik droomde.
Advertenties

Eerste grote-meiden-kermis

Veertien jaar,  met stiekeme make-up en nieuwe nylons, (jongere lezers moeten zelf maar opzoeken wat ik bedoel) trokken we naar de kermis. De eerste die ik meemaakte in de nieuwe woonplaats, tevens de eerste zonder toezicht.
Alleen met een vriendin. De verwachting scoorde hoog, ik zou meegaan in een hollyholly. Deze attractie was nieuw voor mij; ze verzekerde me dat het onwijs goed was, veel jongelui hadden dan ook een kaart voor de hele avond.
Het bleek een lunapark met veel bewegende trappen, roltonnen en trillende bruggen.
Ze sprong geroutineerd op de loopband naar boven. Ik volgde, minder zelfverzekerd en bangelijk vergat ik de railing los te laten. Daar ging ik, bijna ondersteboven, in mijn blote nieuwe nylons.
Een helper trok me omhoog waarbij hij maar een heel klein beetje naar de jarretels keek.
Wat een begin, ik stierf bijna van schaamte en durfde hem niet meer onder ogen te komen.
Dan maar de  botsautootjes in.
Er moet een kwaadaardig complot zijn geweest die avond: mijn autootje deed het niet; stuurloos werd ik grijnzend (rotjongens) naar alle richtingen gebotst en toen hij eindelijk reed ging  hij achteruit.
Paniekerig rukte ik aan het stuur tot – alweer- een helper achterop sprong en me naar de kant loodste. Ik huilde bijna, stapte uit en verschool me in de drukte.
Ladder in een kous, diadeem verloren (wist niet waar), vriendin flirtte (zij wel), leven had geen zin meer.
Moedeloos ging ik naar huis, een derde uitdaging dorst ik niet aan.
Vroegen ze ook nog ‘Was het leuk op de kermis?’
‘Hartstikke!’

Prinsjesdag, ach…

Veel mensen genieten ervan maar eerlijk gezegd vind ik die folklore onderhand een beetje overdreven, al was deze koets beter te pruimen dat het gouden geval.
Beetje raar ook; er zijn zoveel moderne, rijkaandoende hedendaagse auto’s, voldoende wuifgroot van raam mocht een open dak te riskant zijn. Vergezeld van kleine escortes, bestaande uit lichte motoren waarvan de bestuurders open vizieren en goedgesneden motorpakken dragen, dat is toch ook chic en vorstelijk? Desnoods met een Hollandse veer op de helm.
Voor de b-goden zouden een paar oranje kevers volstaan, door de gasten zelf te besturen -verschil moet er zijn-.
Bewonderaars krijgen niet minder tijd en mogelijkheid dan nu om het stel te bekijken, te bewonderen en, naderhand, te bespreken.
Strak plan, vindt U niet?
Wat me ook een aardig gebaar lijkt is, achteraan de optocht, een paar clowns mee te laten fietsen. Kartonnen kroontjes op het hoofd en zo, je ziet immers veel kinderen tussen het publiek.
Deze indeling geeft de tv-camera’s meer ruimte om shots te nemen van een paar vrouwelijke ministers en van  bezoekers die met moeite hun ogen open kunnen houden tijdens de troonrede. Die intussen allang op Internet verspreid had moeten worden zodat regeringsleden met koning en koningin een pittig debat konden voeren in plaats van truttige hoeraatjes te  roepen.
En…
Over een eeuw zullen ze misschien zover zijn. Wanneer de auto’s antiek zijn.

Culinaire romantiek

Eens wilde ik  graag iets romantisch doen met verse echtgenoot.
Zijn (en mijn) eetlust kennende besloot ik tot een luxe etentje want wat is er verrukkelijker dan samen genieten van een hemels maal en mooie wijn, klaargemaakt en geserveerd door je persoonlijke kokkin, te nuttigen in het zachte licht van de liefde?
Op  de bewuste avond vulde ik hoogglanzende schotels  met tongstrelende inhoud en zette ze op de zwoel gedekte tafel,  een paar kaarsen er tussenin.
Hij kwam naar de eethoek, snuivend van de bijna verdovende geuren.
We aten. Ik genoot.
VE at in stilte, zwoegend met bestek, fronsend
Ik begreep het niet tot hij zei  ‘Ik zie geen moer,  kan de grote lamp aan?’
—-

© Bertie

Boek ‘Afwezig’

Een mooi-geschreven boek is ‘Afwezig’ van Betool  Khedairi.

Opvallend weinig reviews, veel meer dan deze twee kwam ik niet tegen /boekhandels/afwezig-betool-khedairi/ en op Bol    https://www.bol.com/

Het verhaal speelt zich af in Bagdad, Irak, eind  jaren negentig.
Ondanks de constante dreiging van bombardementen, de (opgedrongen) anti-Amerikastemming, het bijgeloof en de oorlogs-armoede  leest het alsof het over je eigen woonbuurtje gaat, gezien door de ogen van een intelligente jonge vrouw.
Haar beschrijving is enigszins droog en bijna gezellig te noemen, humoristisch  ook; niettemin is de spanning doorlopend voelbaar.  De  gelatenheid doet denken aan vergelijkbare verhalen over Nederlandse dorpen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Jammer dat ik het uit had.

Rijke ouderen?

Je kunt twisten over de termen.
Mijn ouders’ spaartegoed stelde pas op hun vijfentachtigste wat voor. Dat hadden ze goed bekeken gezien de kosten van hun naderend levenseinde. Koffietafels en zo.

Mijn eigen saldo gaat niemand iets aan naar u mag gerust weten: ik ben niet  rijk en zal het waarschijnlijk ook op latere leeftijd niet worden. Ook hier zit het meeste ‘kapitaal’ in een hoop stenen. Wijlen echtgenoot had indertijd een bord boven de voordeur willen spijkeren, met sierletters HUIZE RABO erop, dat zegt genoeg.
Enfin, das war einmal.
Maar stel je voor dat Rutte c.s. me als rijk aanmerkt? Overheidswegen zijn minstens zo ondoorgrondelijk als die van god.
Om die reden opende ik een geheime rekening op de Kaaimaneilanden. Elk overtollig eurootje stort ik daar, het nummer zit verborgen in de diepste krochten van mijn geheugen en mocht de overheid me op een zgn vermogen betrappen, kan ik altijd zeggen dat de krokodillen het hebben opgevreten.
Ergo, ik zit veilig arm te wezen.