Nazomerzon


Pauze, ligstoel uitgeklapt.
Toen kwamen de mieren. Vreemd, deze tijd nog en zo gróót. Ze liepen voorbij en verdwenen weer. De laatste knipoogde.
Na een paar minuten verscheen een kauw op de stoep. Hij had een jonkie in zijn bek; links en rechts spartelde het.
-Wat nou weer, ga weg beest, ik hoef jouw jong niet.
Hij vloog op en verdween.
Een zuchtje wind kwam langs en ademde bloemetjesmuziek,  Strauss en zo. Te zoet, toch aardig.
Toen begreep ik dat ik droomde.