Dat krijg je als je nooit wat meemaakt


Iets buitengewoons gebeurt hier zelden.  Het is simpelweg een aardig en kalm leventje wat we leiden,
Niet gewend zijnde aan vreemdigheden schrok ik dan ook behoorlijk toen ik eergisteren opstond en dit zag. (←foto  is vaag door gehamerd glas).
Een donker ding zat buiten aan de voordeurknop en het bewoog. HET BEWÓÓG. Er zat een of ander beest aan mijn deur, het geslinger zag er sinister uit op mijn nuchtere maag. Mijn hart stond stil.
Een ogenblik stond ik verstijfd,  bedacht van alles, wie hangt er nu een slang aan de deur,  nu al tropische verrassingen, wat moet ik doen?
Toen kwam ik bij zinnen en zocht een wapen, waar was de buks, de bijl, desnoods een schilmes. In de zenuwen greep ik uiteindelijk de handveger en sloop naar de deur.
Het beest zwaaide.
Langzaam, heel zachtjes,  (stel dat het van schrik naar binnen schoot) opende  ik de de deur. En wat ik toen zag….
Dit reclameblaadje bungelde in de wind. →  →  →voordeur2 001

 

Advertenties

Verliefde buurman 2

Het was maar een tikje

‘Frank,’ viel ik uit, ‘ik geef niets om je, dat weet je onderhand. Bovendien heb ik geen zin en weinig tijd. Ga opzij of ik maak stennis.’
‘Dan breng ik je wel naar huis…’
‘Geen denken aan en nu ga ik.’ Ik reed de kar een stukje naar voren om hem zachtjes tegen de benen te tikken.
‘Kijk nou wat je doet, je rijd me zowat van de sokken. …’ Gepijnigd greep hij naar zijn knie, hinkelde een paar moeilijke passen en leunde op mijn kar. ‘Nu moet je me naar de dokter brengen, ik kan zo niet rijden, aaauuu…’
‘Stel je niet aan, het was maar een tikje.’ Verontwaardigd rukte ik de kar van hem weg; daar was hij niet op bedacht en hij zeilde onderuit waarbij hij raar op zijn knie terecht kwam en deze nu daadwerkelijk bezeerde.
Verdorie, nu had ik het voor elkaar. Me verplicht voelend gaf ik hem een hand om hem overeind te trekken. Zwaar hijgend stond hij tenslotte rechtop, wuifde de behulpzame bedrijfsleider weg   -ja hoor, het gaat prima, ik rijd met deze mevrouw mee – en nam ongevraagd mijn arm.
– Ziezo,’ was zijn tevreden commentaar, ‘nu moet je wel…’
Wat te doen?

©Bertie
Wordt vervolgd.

Hofperikelen


Adam en Eva zijn in een crisis beland.
‘Ik vind er niks meer aan,’ moppert zij. ‘De fut is er uit. Geen vrijheid meer, en al die warme kleren aan je lijf.’
Adam zucht  ‘Ik had het me ook anders voorgesteld.’
Eva schiet uit haar slof. ‘Ja dat snap ik. Alleen maar in de tuin blijven hangen, de hele dag kiekeboe spelen met je vijgenblaadje, veel meer had je niet aan je hoofd.’
Minachtend bekijkt ze hem.
‘Wat wil je dan, vrouw?  Je hebt toch zelf die appel aangenomen?’
‘Ja jezus, als je geen risico durft te nemen gebeurt er nooit wat.  Dat zou jij niet gedaan hebben, hè schat?’  Giftig. ‘Maar jij zou ook niet benaderd zijn, de braafheid stond op je gezicht te lezen. Nog steeds, trouwens.’
Adam denkt na.
Dan zegt hij  ‘Maar jouw lef is wel de oorzaak van het leven zoals het nu is.’
Opnieuw vliegt Eva op. ‘Allicht, als ik in mijn eentje de appels uit het vuur moet halen. En wie at er graag van mee? Jij toch zeker!’  Ze mint de logica.
‘Nou, graag, graag, het is dat jij zo aandrong…’
‘Slappeling..’
Adam kijkt naar haar, hoort haar scherpe tong. Hij moet iets doen.
Verzoenend biedt hij aan. ‘Zal ik vanavond voor het eten zorgen? Lekker stukje vlees erbij? Goedmaken?’
Onwillig haalt Eva haar schouders op.
‘Toe lief,’ pleit Adam,  ‘ik heb wel zin in ribstuk.’

blubblub


Ja, ik zit nog steeds ondergedoken. Letterlijk.
De broeierigheid werd gistermiddag zo hevig dat ik me overal van los moest rukken: plakkend aan armleunigen, deurknoppen, aanrecht en koffiepot tot ik tenslotte aan de vloer genageld leek en geen kant heen kon.
Dat werd me te gortig.
Ik stapte uit de slippers en daalde af in het transpiratiebad dat zich rondom mijn lijf vormde. Daarin zweefde ik, wachtend op een stortregen en/of koele tocht. Die beiden uitbleven, het armzalige trekje dat me ten deel viel deed het bad amper rimpelen.
Wel bliksemde het, veel en vaak; toen tenslotte een regenbui zich liet horen sliep ik al, rustend in mijn persoonlijke zweetbad. Tot vanmorgen .
Wakker wordend probeerde ik eerst de lucht. Die was nog steeds lauw en klam.
Opnieuw dook ik onder.
Toch is er hoop.  Het bad koelt af, langzaam, langzaam maar duidelijk. Af en toe steek ik een vinger boven water en voel ik dat het gezonder is.
Wordt het misschien nog een fris weekeinde.

Die lange dagen


Wat zijn ze eindeloos hè, halverwege de nacht gaan ze bijna vanzelf in elkaar over zonder dat je er iets van merkt tenzij je wakker blijft maar dat lijkt me niet handig voor degenen die overdag werken want zij hebben hun nachtrust hard nodig ondanks de warme en lichte uren omdat ze ook in dit seizoen aan hun verplichtingen moeten voldoen en……  kijk, die eindeloosheid neemt epidemische vormen aan al is het geen ziekte. Hoe zit het dan?

Welnu, het is een kwestie van de zon die van de zomer wil genieten en iedereen hetzelfde gunt.
Hij is natuurlijk aan vakantie toe;  wat wil je, drie seizoenen tegen antizomerse dwarsliggers opboksen is bijzonder ondermijnend voor ieders gestel en zéker voor iemand met een levensreddende functie.
Daarom staat hij met zijn opgang op en gaat pas neer met zijn ondergang.
Simple comme ça.
Dit↓ toepasselijk liedje is wel aardig.

The French song

Buurten


Van de week zag ik in onze straat twee mannen langdurig een praatje maken, vijftiger of zestigers. Op hun gemakkie stonden ze daar en kletsten wat; de een rolde een sigaret, de ander had zijn hond bij zich.
Niets bijzonders?
Toch wel ’n beetje, je ziet het niet vaak meer. Men groet en gaat zijn eigen weg.
Het is niet alleen dat de wijk verjongt, dat valt wel mee. Rondom me wonen behalve de baby-gezinnetjes verschillende veertigers en een paar vijftigers.
Het is eerder het gebruik van op-je-zelf blijven, iets wat de laatste twintig jaar enorm in zwang is gekomen. Er wordt nog wel gebuurt in kleine kring maar niet vaak meer en meestal bij de auto of garage, binnen de -gesloten- poort.
Ik mag dit wel. De tijd dat iedereen binnenliep beviel me nooit, waarschijnlijk was ik te stijf/Hollands.
Maar ik deed mijn best en zwaaide voor iedereen met de koffiepot.
Daarmee voelde ik me voldoende aangepast.

Verliefde buurman l

Hij blijft me volgen

Daar stonden we dan, hij met een innemend lachje, ik geïrriteerd door datzelfde lachje.
‘Sorry Frank, ik heb geen tijd. Geen interesse ook.’  Ik probeerde om hem heen te lopen waarop hij  pal voor het karretje ging staan.
‘Kom op, verdriet duurt niet eeuwig, je kunt toch wel éven naar me luisteren? Ik weet zeker dat we….’
‘Nee. Ga alsjeblieft opzij!’
‘…. een goed stel vormen, jij en ik.’ Hij praatte gewoon door.

Frank was een vroegere buurman die me al jaren aanbad en dat zo overduidelijk liet merken dat we  afwisselend om hem lachten en ons dood ergerden.
Na een verhuizing zagen we hem niet vaak meer; helaas, zodra hij ontdekte dat we uit elkaar  waren en ik op mezelf woonde zocht hij me en trof me meestal in de supermarkt, wetende dat ik vaak boodschappen doe. Drie kinderen eten nogal wat.
Hij gedroeg zich fatsoenlijk zij het volhardend in zijn verliefdheid die, zo bleek, onverminderd sterk was. Hij probeerde me bij elke ontmoeting over te halen een afspraak met hem te maken en drong drammerig aan.
Deze keer was hij erger dan ooit.

©Bertie
wordt vervolgd