Hoe zwart mag zwarte humor zijn?

Een heikele kwestie.

Ik bedoel geen onfrisse seksmoppen, ik heb het over de dood.

In een vroegere schrijfclub werd zwarte humor niet op prijs gesteld, het werd door een groepje als ‘te hard’  ervaren. Spot over de dood was not done. Dat het een seniorenclub was zal misschien meegespeeld hebben, je zou maar met een halfversleten hart rondlopen en harde grappen over een kerkhof moeten lezen. De andere helft trekt dat beslist niet.
Een moeilijke zaak is ook de kleur van deze humor. Macaber, sinister, luguber, dat zijn, in dit verband, de associaties met zwart.
Is een liefhebber dan automatisch een gestoorde griezel? Er zijn mensen die dat aannemen, in hun optiek is lachen om de dood gelijk aan het oproepen ervan, op zijn minst uitdagend. Bij dat laatste denk ik eerder aan sommige regeringsleiders maar dat is een andere zaak.
Uiteindelijk weet ik nog steeds niet hoe zwart zwarte humor mag zijn.
Pekzwart, zwarter – zwartst, lichtzwart, doorschijnend zwart, zwart randje,  zweempje zwart,
of zal ik gewoon mijn eigen gang gaan met het gevaar te worden opgesloten?
In dat geval hoop ik op bezoek. Met zwarte drop in plaats van een fruitmand.

vers van hebzucht


Ik miste dingen die’k niet had
en nooit bezitten zou
een nieuwe tas in wit-met-blauw
pianoles
regenlaarzen in het rood
een knuffelbeer
ze maakten mijn verlangens groot.
Toen kreeg ik boeken
met  verhalen
van
kinderen, ze stalen,
armoedig in hun rafels
de moeders  stil en ziek
een oma leed aan rimmetiek.
Ik las en las
opdat ik maar zou snappen,
mijn wensen moest ik schrappen.

Het hielp geen bal
nog steeds mis ik
de dingen die’k niet heb
en nooit bezitten zal.

© Bertie