Meneer Zwart.


Er was eens een man,  zo zwartgallig dat je al naar werd van tien minuten luisteren. In één gesprek vernoemde hij het kabinet en reeds halfvergane bejaarden,  sprak onheilspellend over de toekomst en dan was hij nog niet eens goed op dreef.  Van de nieuwsberichten hoorde  hij slechts de meest ellendige.
In het westen is een lijk gevonden,’ zei hij bijvoorbeeld, ‘met afgesneden oren, het mes stak er nog in.’  Zijn huishoudster wachtte nooit het einde van de vertelsels af en vluchtte bijtijds naar keuken of stofzuiger.
Soms werd hij teveel overmand door de narigheden die hij overal ontwaarde en ging  naar bed op hoop van berustende slaap maar werd geplaagd door duistere beelden; ook daar onthield hij slechts de allerberoerdste van.
Gruwelijke nachtmerries bezochten me; een roedel reuzenweerwolven met geslepen  tanden…
De huishoudster knikte en haastte zich naar de wasmand.
Gekweld keek hij haar na, alleen achterblijvend met zijn gedroomde weerwolven.
‘De wereld is er jammerlijk aan toe,‘  mompelde hij nog.

Advertenties